We kunnen beleggingsfondsen verdelen in:
Bij een open-end beleggingsfonds staat het aantal aandelen dat het fonds uitgeeft niet vast. Als er extra vraag is, dan geeft de beheerder van het beleggingsfonds extra aandelen uit. Als er veel aandelen aangeboden worden, dan koopt de instelling aandelen terug. Op deze manier blijft de prijs van de aandelen altijd in de buurt van de intrinsieke waarde van het beleggingsfonds. Voorbeelden zijn het Fortis Azië Fonds, het Labouchere Obligatiefonds en het Van Lanschot Global Equity Fund.
Deze fondsen hebben een vaststaand aantal aandelen en dit aantal blijft altijd even groot. De prijs van de aandelen van het fonds beweegt daarom mee met vraag en aanbod. Voorbeelden zijn het AEGON Aandelenfonds, Rodamco Asia en Ducatus
Dit is een tussenvorm van de twee eerdere mogelijkheden. Het aantal uitgegeven aandelen staat niet vast, maar de uitgevende instelling heeft zich niet verplicht om ervoor te zorgen dat vraag en aanbod in evenwicht zijn. Voorbeelden zijn het Orange Midcap Fund en het ABN AMRO Small Companies Netherland Fund. De bedrijven die de beleggingsfondsen oprichten, hebben in de loop der tijd veel verschillende fondsen ontwikkeld. Elk fonds heeft zijn eigen mate van risico en mogelijk rendement, maar ook zijn eigen beleggingsterrein. Zo zijn er fondsen die alleen in computerbedrijven beleggen, fondsen die alleen in Japan beleggen, fondsen die alleen in ‘natuurvriendelijke’ bedrijven beleggen, etc. Zo kunnen beleggers ook beleggen in landen die normaal lastig te bereiken zijn, denk aan Zuid-Amerikaanse of Afrikaanse landen. Als een belegger goede verwachtingen heeft van een bepaald marktsegment dan kan hij via een fonds gespreid beleggen in dit segment.